De juiste voeding voor biggen is een van de belangrijkste factoren die bepalend zijn voor de gezondheid van het beslag, de groeisnelheid en de toekomstige productie-efficiëntie. Tijdens de eerste levensweken maken jonge dieren een snelle lichamelijke ontwikkeling door, en eventuele fouten in de voeding kunnen langdurige gevolgen hebben. Daarom mag de keuze van het juiste voer niet aan het toeval worden overgelaten.
Voer voor biggen – waar te beginnen?
Bij de keuze van voer voor de jongste dieren moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met hun leeftijd en de ontwikkelingsfase van hun spijsverteringsstelsel. Biggen worden geboren met een beperkte verteringscapaciteit; daarom is colostrum hun eerste en belangrijkste voedsel, gevolgd door de moedermelk. Het is echter raadzaam om al in de eerste levensdagen prestartervoer te introduceren om het spijsverteringskanaal voor te bereiden op de vertering van vast voer. Goed voer voor biggen moet:
- licht verteerbaar,
- energirijk,
- goed uitgebalanceerd qua aminozuren,
- smakelijk.
In deze fase is de hoge kwaliteit van de ingrediënten bijzonder belangrijk. In de praktijk betekent dit dat er ingrediënten worden gebruikt zoals hoogwaardige zuivelproducten, plantaardige vetten en licht verteerbare eiwitbronnen. In de eerste levensweken worden ook vaak functionele toevoegingen gebruikt die de darmflora en het immuunsysteem ondersteunen. Een van de ingrediënten die in de voeding van jonge dieren wordt gebruikt, is tarwegluten van voederkwaliteit, dat dient als een geconcentreerde eiwitbron en de structuur van het mengsel verbetert.
Tarwe-eiwit – een essentieel onderdeel van de voeding
Een van de belangrijkste bestanddelen van biggenvoer is eiwit. Het is verantwoordelijk voor de weefselvorming, de spierontwikkeling en de goede werking van het lichaam. Hoogwaardig tarwe-eiwit onderscheidt zich door zijn goede verteerbaarheid en gunstige aminozuurprofiel, waardoor het een waardevol bestanddeel van voermengsels is. In vergelijking met sommige andere eiwitbronnen worden tarwecomponenten gekenmerkt door:
- een hoog eiwitgehalte,
- goede verteerbaarheid,
- kwaliteitsstabiliteit,
- een laag gehalte aan antinutritionele factoren.
Dankzij deze eigenschappen kan tarwe-eiwit de ontwikkeling van biggen effectief ondersteunen, met name tijdens de speenperiode, een van de meest cruciale momenten in hun leven. In deze periode hebben de dieren te maken met stress, een verminderde weerstand en spijsverteringsproblemen, waardoor hun voeding zo goed mogelijk moet worden afgestemd.
Voer voor gespeende biggen – waar moet je op letten?
De periode na het spenen is een tijd waarin niet alleen het voedingspatroon verandert, maar ook de behoeften van het lichaam. Biggen maken de overgang van een op melk gebaseerd dieet naar vast voer, wat een aanzienlijke belasting voor het spijsverteringsstelsel vormt. Gedurende deze periode moet voer voor biggen:
- licht verteerbare energiebronnen bevatten,
- een beperkte hoeveelheid ruwe celstof bevatten,
- de stabilisatie van de darmflora ondersteunen,
- voldoende micronutriënten en vitamines bevatten.
Ook de kwaliteit van de ingrediënten is uiterst belangrijk. Hoogwaardige voeringrediënten helpen het risico op gezondheidsproblemen te verminderen en de benutting van voedingsstoffen te verbeteren. In de praktijk vertaalt zich dit in betere groeicijfers en minder verliezen in de veestapel.
Hoe stem je het voer af op het productiedoel?
Ook het beoogde gebruik van de dieren speelt een belangrijke rol. Biggen die bestemd zijn voor verdere vetmesting hebben andere behoeften dan biggen die bestemd zijn voor de fokkerij. Voor mestbiggen zijn de volgende aspecten van groot belang:
- snelle gewichtstoename,
- efficiënte voederbenutting,
- optimale eiwitconversie.
Bij fokdieren ligt de nadruk daarentegen meer op:
- uniforme groei,
- immuniteit,
- een goede ontwikkeling van het skelet.
Met een goed uitgebalanceerd dieet kunnen deze doelen worden bereikt zonder dat er later overmatige toevoegingen of kostbare aanpassingen aan het voer nodig zijn.
Hoe moeten veranderingen in het voer bij biggen worden doorgevoerd om gezondheidsproblemen te voorkomen?
Een van de meest voorkomende fouten bij het voeren van jonge dieren is het te abrupt veranderen van het voer. Het spijsverteringsstelsel van biggen is zeer gevoelig, dus elke aanpassing van het voer moet geleidelijk worden doorgevoerd. Dit geldt zowel voor de overgang van moedermelk naar vast voer als voor latere veranderingen in de voermengsels tijdens de volgende opfokfasen.
Daarom is het noodzakelijk om overgangsperioden in te lassen waarin het nieuwe voer geleidelijk wordt geïntroduceerd, naast het huidige dieet. Deze aanpak stelt de darmflora in staat zich aan te passen aan de nieuwe ingrediënten en vermindert het risico op diarree of een afname van de voeropname. Er moet ook aandacht worden besteed aan de fysieke vorm van het voer. Fijn gemalen voer of pellets met de juiste textuur worden door biggen gemakkelijker gegeten en zijn beter verteerbaar. Versheid en opslagomstandigheden zijn eveneens van belang: vocht of verontreiniging kunnen de kwaliteit van zelfs het best uitgebalanceerde mengsel snel aantasten.
Een goed beheer van veranderingen in het voer is niet alleen een kwestie van dierenwelzijn, maar heeft ook een reële invloed op de productieprestaties. Soepele overgangen tussen de verschillende voerfasen helpen een hoge groeisnelheid te behouden en verliezen tot een minimum te beperken, die vaak niet het gevolg zijn van het voer zelf, maar van fouten bij de introductie ervan.
Waarom is voerkwaliteit zo belangrijk?
Bij de voeding van biggen is er geen ruimte voor compromissen. Elk ingrediënt in het mengsel moet zorgvuldig worden geselecteerd en afkomstig zijn van een betrouwbare leverancier. Ingrediënten van lage kwaliteit kunnen leiden tot spijsverteringsproblemen, een verminderde weerstand en slechtere productieprestaties. Dit is precies de reden waarom steeds meer producenten kiezen voor de oplossingen van FDCM, waarbij de nadruk ligt op consistente kwaliteit en productveiligheid. Goed geselecteerde voederingrediënten maken het mogelijk om stabiele en effectieve voederprogramma’s te ontwikkelen.



